Dressuur
Geschiedenis van de dressuur
De dressuur is een van de belangrijkste onderdelen van de paardensport. De principes waren al bekend bij de oude Grieken, maar de geschiedenis van de moderne dressuur begint in de Renaissance. In 1532 werd door Frederico Grisone een academie opgericht waar paarden werden afgericht om spectaculaire en ingewikkelde bewegingen uit te voeren. Deze sport vond veel aanhang bij de adel.
In de loop der eeuwen ontwikkelde deze soort circusvoorstelling zich tot de dressuur zoals we die nu kennen.
Tijdens de Olympische Spelen van 1912 werd voor het eerst een dressuurproef verreden.
Doel van de dressuur
Het doel van de dressuur is de "harmonische ontwikkeling van het organisme en van de natuurlijke eigenschappen van het paard" (Dressuurproevenboekje 2002). Vrij vertaald naar het Nederlands betekent dit ongeveer dat de bewegingen van het paard beter worden.
Verder staat er "het paard wekt verder de indruk alles wat hem gevraagd wordt uit vrije wil te doen, met vertrouwen en oplettendheid geeft het zich edelmoedig over aan zijn ruiter". Dit betekent ongeveer dat het paard moet doen wat hem opgedragen wordt en er ook nog uit moet zien alsof ie het uit vrije wil doet. Arm paard... allemaal saaie figuren doen en dan ook nog vrolijk kijken haha.
Dressuurproeven
Je hebt verschillende klassen dressuurproeven. Je begint in klasse B (beginnend). In dit proefje moet je stappen, draven en galopperen. Figuren zijn o.a. van hand veranderen (bijv. met op de diagonaal een overgang naar de arbeidsstap en dan weer arbeidsdraf of met enkele passen middendraf of met hals laten strekken), grote voltes (in draf en galop, in sommige proefjes ook een volte waarbij je het paard de hals moet laten strekken), gebroken lijnen, de A-C lijn, soms bij de E of B afwenden (en halthouden).
De volgende klasse is de L1 (L staat voor licht). Hierbij moet je ongeveer dezelfde dingen doen als bij de B, maar dan krijg je ook dingen als wijken voor het been, een slangenvolte met 3 bogen, een rechtsomkeert of linksomkeert en middenstap en -galop. Ook moet je nu precies op de X halthouden ipv. tussen X en G.
In de L2 proef moet je meer doorzitten, achterwaarts, voltes 10 en 15 meter, overgangen precies bij een letter.
Daarna heb je de M1 proef. Hierbij wordt alles wat preciezer: 4 seconden stilstaan, 4 passen achterwaarts etc. Nieuwe oefeningen zijn schouderbinnenwaarts, wendingen om de achterhand, uitgestrekte stap en contragalop. Ook moet je het hele proefje doorzitten.
In de M2 proef komen de verzamelde gangen, de uitgestrekte gangen, door een S van hand veranderen, travers en de keertwending om de achterhand erbij.
De Z1 proef wordt verreden in de 20x60 baan. Alle figuren en overgangen enzo moeten best wel precies. Nieuwe oefeningen zijn appuyeren en de eenvoudige galopwisseling.
De Z2 proef is ook in de 20x60 baan. Nieuw is dat je in verzamelde galop binnen moet komen. Verder is er niet veel nieuws, behalve dan dat de voltes kleiner worden (8 meter) en dat er een vliegende galopwissel inzit.

Dressuuroefeningen
Rijden van wendingen
Tijdens het rijden van een wending is het paard gesteld; het kijkt in de richting waarheen het gaat en is gebogen volgens het verloop van de boog die het maakt. Een voorbeeld hiervan is het rijden van een volte. Om een correcte volte te kunnen rijden moet het paard gesteld zijn: het kijkt in de richting waarheen het gaat en het krijgt in de lengte een buiging die overeenkomt met de gebogen lijn van de volte waarop het zich voortbeweegt. De achterhand moet op de volte de hoefslag van de voorhand volgen. Ook de ruiter kijkt altijd in de richting waarheen hij gaat en door de binnenzijde van zijn lichaam langer te maken, brengt hij zijn gewicht over op de binnenzitbeenknobbel. Met de binnenkuit drijft hij om het tempo te onderhouden en te voorkomen dat het paard naar binnen valt. De achterhand mag niet naar buiten zwaaien. Daarom ligt de buitenkuit iets naar achteren, wardoor het paard op de volte gebogen blijft. De ruiter houdt de handen iets naar voren en naar binnen, maar de buitenhand mag nooit over de manenkam komen. Rijd nooit meer dan twee tot drie maal achtereen dezelfde volte; wissel deze oefening bijvoorbeeld af door recht voorwaarts te rijden en daarna dezelfde oefening op da andere hand te herhalen.
Rechts voorwaarts gaan
Van nature heeft ieder paard de neiging een beetje scheef te lopen, omdat het een hollere en een bollere zijde heeft. Om recht voorwaarts te gaan moeten ten eerste de teugels gelijk gespannen zijn. Bovendien moet de impuls (de voorwaartse drang) goed onderhouden worden. Meestal zal het paard aan zijn bolle zijde de ruiter meer gewicht in de teugels geven. Daarom moet de ruiter aan deze kant meer aandrijven, zodat het paard geleidelijk rechter gaat lopen. Iedere dressuurruiter heeft er baat bij veel oefeningen op de middellijnen van de rijbaan te doen. Zijn rijdier moet het dan zonder de steun van de rand van de rijbaan doen.
Halthouden
Bij een correcte hele ophouding staat het paard vierkant stil. Het gewicht rust op alle vier de benen. De ruiter wekt met zijn zit en benen in, waardoor het gewicht van zijn rijdier naar de achterhand wordt verplaatst. Het paard wordt hierbij tegen een steeds meer opvangende teugel gedreven, waarbij de handen soepel blijven. Het paard moet onmiddellijk reageren, maar mag nooit abrupt gestopt worden. In stilstand kauwt het paard zachtjes op het bit en is bereid onmiddellijk voor- of achterwaarts te gaan.

Achterwaarts gaan
Bij het achterwaarts gaan begint de ruiter voorwaarts te drijven. Op het moment dat de achtervoet van het paard loskomt om een pas voorruit te zetten, brengt de ruiter het door ophoudende teugelhulpen achterwaarts. Bij het achterwaarts gaan worden de benen in diagonale paren verplaatst; linksvoor en rechtsachter samen en rechtsvoor en linksachter samen. De voeten moeten goed zichtbaar worden opgetild en de achterbenen blijven op één lijn met de voorbenen.
Wending om de achterhand
De wending om de achterhand is een kwart cirkel op twee hoefslagen, waarbij de lengte van het paard bepaalt hoe groot de cirkel mag worden. Het buitenachterbeen stapt om het stappende binnenachterbeen heen tot de wending is voltooid.
Keertwending om de achterhand.
Bij de keertwending om de achterhand maakt het paard vanuit het halthouden een halve cirkel naar links of naar rechts om de achterhand, waarbij het binnenachterbeen als spil dient. Dit been dient dus nagenoeg steeds op dezelfde plaats te worden neergezet tot de keerwending is voltooid.
Wending om de voorhand
De wending om de voorhand is een kwart cirkel op twee hoefslagen, waarbij de lengte van het paard bepaalt hoe groot de cirkel mag worden. Het buitenvoorbeen stapt om het stappende binnenvoorbeen heen tot de wending is voltooid. De eenzijdige kuithulp zorgt ervoor dat de achterhand om de voorhand wendt.
Keertwending om de voorhand
Bij de keertwending om de voorhand beweegt het paard vanuit het halthouden een halve cirkel naar links of naar rechts om de voorhand, waarbij het binnenvoorbeen als spil dient en derhalve zo veel mogelijk op de plaats blijft. Vervolgens kruist het binnenachterbeen voor het buitenachterbeen langs, in zo vele passen als nodig zijn om een draai van 180° te maken. De keertwending om de voorhand kan ook goed van pas komen tijdens een buitenrit, bijvoorbeeld wanneer er een hek geopend moet worden.
Figuren
Naast de figuren, zoals van hand veranderen, halthouden, voltes en slangenvoltes, zijn er nog meer figuren, die niet meteen met de hogere dressuur te maken hebben.
De acht: deze figuur bestaat uit twee voltes van gelijke omvang. De voltes raken elkaar in het hart van de rijbaan (X). Zodra de ruiter na de eerste halve volte bij X komt, gaat hij over op de grote volte naar de andere zijde. Hij rijdt deze eenmaal rond en komt dan weer op de oorspronkelijke grote volte, die hij verder afmaakt.
Halve volte links, gevolgd door halve volte rechts: hierbij wordt halverwege de korte zijde van de rijbaan begonnen met een halve grote volte. In het midden van de rijbaan worden enkele passen recht voorwaarts gereden, waarna een halve grote volte op de andere hand wordt voltooid. Er wordt als het ware een S gemaakt.
Door een S van hand veranderen: bij deze oefening wordt begonnen met een halve volte ter grootte van een halve rijbaan, daarna volgen enkele passen voorwaarts, waarna een tweede halve volte volgt op de andere hand.
Natuurlijk zijn er nog veel meer figuren te bedenken, die alle in stap, draf of galop kunnen worden uitgevoerd.
Zijgangen:
Bij de uitvoering van de zijgangen beweegt het paard zich met de voorhand en de achterhand op verschillende hoefslagen in een voorwaarts-zijwaartse beweging. Zijgangen hebben als doel het lichaam van het paard soepel en buigzaam te maken.
Wijken voor de kuit
Het wijken voor het been is een oefening waarbij het paard zich voorwaarts-zijwaarts beweegt. het paard wijkt zijwaarts voor de druk van het been en kijkt hierbij iets tegengesteld aan de richting waarheen het gaat. Het wijken voor het been vormt de basis voor al het werk op twee hoefslagen. Het paard dient zo veel mogelijk parallel aan de zijden van de rijbaan te blijven. De buiging van zijn lichaam moet uiterst licht zijn. daarbij mag de hals niet te veel gebogen zijn, het hoofd niet kantelen en dient het paard regelmatig te gaan. De benen kruisen voorlangs en zijwaarts. De ruiter drijft het paard met de zit voorwaarts en met zijn kuit zijwaarts. De teugels zorgen voor de juiste stelling. Het buitenbeen ondersteunt en belet dat het paard naar de verkeerde kant wegloopt.
Schouder-voor
De schouder-voor is één van de eerste zijgangen die geleerd worden. Hierbij wordt de voorhand licht naar binnen gebracht, zodat het binnenachterbeen en het buitenvoorbeen op één lijn zijn. Deze oefening vraagt minder buiging en verzameling dan de schouder-binnenwaarts.
Schouder Binnenwaarts
Bij de schouder-binnenwaarts beweegt het paard zich op twee hoefslagen met drie sporen en een stelling die tegengesteld is aan de bewegingsrichting. De achterhand blijft op de hoefslag en de voorhand wordt licht naar binnen gebracht, waardoor het paard licht gebogen is om het binnenbeen van de ruiter. Het buitenvoorbeen en het binnenachterbeen zijn hierbij op één lijn. Het voorbeen aan de binnenzijde van het paard kruist dat aan de buitenzijde.

Dressuuroefeningen voor gevorderden:
Travers
De travers is een zijgang op twee hoefslagen met vier sporen, waarbij het paard kijkt in de richting waarheen het gaat. Elk been heeft een eigen spoor. Bij de travers blijft de voorhand op de hoefslag en wordt de achterhand naar binnen gebracht. Hierbij is het paard gebogen om het binnenbeen van de ruiter. Het dier kruist met zijn buitenbenen voor die aan de binnenzijde langs. De hoek van de beweging bij een travers is groter dan bij de schouder-binnenwaarts.
Renvers
De renvers is een zijgang waarbij de voorhand naar binnen wordt gebracht en de achterhand op de hoefslag blijft. Het paard is gebogen om het buitenbeen van de ruiter. Evenals de travers wordt deze oefening op twee hoefslagen met vier sporen uitgevoerd.
Appuyement
Bij het appuyeren verplaatst het paard zich in een voorwaarts-zijwaartse richting op twee hoefslagen. Daarbij is het paard licht gebogen en gesteld in de richting van de beweging. Het zet de buitenbenen voor de binnenbenen langs. De voorhand wordt voorwaarts geleid door de teugels en de achterhand wijkt voor de eenzijdige kuitdruk. Hoewel appuyementen zowel in stap als in draf en galop kunnen worden uitgevoerd, worden ze bij wedstrijden alleen in verzamelde draf en galop gevraagd. Een appuyement wordt diagonaal over de rijbaan gereden, bijvoorbeeld van de hoefslag naar de middenlijn of andersom, of op een gebroken lijn. Wanneer deze oefening correct wordt uitgevoerd, lijkt het of het paard moeiteloos over de rijbaan glijdt. Het houdt zijn lichaam vrijwel parallel aan de zijden en tilt zijn benen goed op. Hoe scherper de hoek is van de diagonaal, hoe hoger de moeilijkheidsgraad.

Schakel
De schakel is een oefening in het achterwaarts gaan voor gevorderden. Het paard gaat een vooraf vastgesteld aantal passen achterwaarts, alvorens verder te gaan. De wisseling van achterwaarts naar voorwaarts en andersom moet vloeiend verlopen, zonder hapering.
Pirouette
Bij een pirouette maakt het paard een draai van 360 graden. De voorhand beschrijft een cirkel en de achterhand blijft zo veel mogelijk op één plaats. Deze oefening vraagt een maximale coördinatie, zowel van het paard als van de ruiter. Omdat ene paard van nature geneigd is om zijn middenhand te draaien, moet het sterk verzameld worden om de spil bij de achterhand te leggen. Dragen de achterbenen eenmaal goed, dan dient de voorhand de draai in een vloeiende beweging uit te voeren. De score voor deze lastige beweging wordt op wedstrijden vaak verdubbeld. Bij de Prix St. Georges wordt een halve pirouette (180°)) gevraagd, maar vanaf de Intermédiaire moeten hele pirouetten worden uitgevoerd. Het aantal toegestane passen van een halve pirouette bedraagt drie tot vier en van een hele zes tot acht.

Contragalop
De contragalop is een galop rond de rijbaan of op de volte, waarbij het buitenvoorbeen voorgrijpt. Deze oefening vergt veel lenigheid van een paard.
Changement
Wanneer het paard op de hulpen van de ruiter tijdens het zweefmoment omspringt van de ene galop in de andere, spreken we van een changement. Tijdens deze oefening, die ook wel vliegende galopwisseling wordt genoemd, moet het paard lichtvoetig blijven en de impuls goed bewaren. Het omspringen dient altijd met voor- en achterbenen op hetzelfde moment te gebeuren. Het is dus verkeerd wanneer de voorbenen na de achterbenen wisselen of omgekeerd. Een voorbereiding op deze oefening is de eenvoudige galopwisseling. Hierbij mag het paard vanuit de ene galop in stap overgaan en een aantal passen doen, ten hoogste vier, om vervolgens in de andere galop aan te springen. Tijdens de wisseling mag er niet gedraafd worden en de overgang moet vloeiend zijn.
Hogere Dressuur:
Zig-zag appuyementen
Zigzag-appuyementen zijn een serie appuyementen gereden aan beide zijden van de middellijn in een vast patroon van zo veel passen naar links, zo veel passen naar rechts enzovoort. Vaak worden zigzag-appuyementen over de middellijn gereden. De ruiter kan dan bijvoorbeeld vier passen appuyement naar links rijden, een changement uitvoeren, acht passen appuyement naar rechts geven, weer changeren en ten slotte vier passen naar links appuyeren om weer op de middellijn uit te komen. De passen dienen steeds even ver van de middellijn te komen. In de Grand Prix is het vereiste aantal passen drie en ze.
Changement in serie
Changementen in serie zijn galopwisselingen die in vaste series worden uitgevoerd. Dit kan zijn om de vier, drie en twee passen en zelfs om de pas. Om een goed changement uit te voeren, dient het paard te beschikken over een grote sprongkracht. Hierdoor wordt de zweeffase tijdens de galop langer en heeft het paard meer tijd om zijn benen 'om te zetten'. Bij de Prix St. Georges worden changementen om de drie passen gevraagd; bij de Grand Prix is een serie van vijftien changementen om de pas de vereiste.
Passage
De passage is een sterk verzamelde draf, waarbij de voorhand hoog wordt opgeheven en de achterhand extra wordt ondergebracht. De passage heeft een uitgesproken zweefmoment. Hierdoor lijkt alsof het paard in slowmotion gaat.
De oefening ziet er heel spannend uit door de grote impuls vanuit de achterhand en de ingehouden kracht die het paard uitstraalt.
Piaffe
De piaffe is de verzamelde draf op de plaats. Bij deze oefening worden de benen diagonaalsgewijs opgetild en neergezet in een verende draf, waarbij het paard op één plaats blijft. De piaffe is één van de zwaarste en moeilijkste dressuuroefeningen. Het paard moet zijn vier benen even hoog optillen om als het ware van de ene stap in de andere te springen. Daarbij wordt de achterhand omlaag gebracht tot een houding die op zitten lijkt. Bij de Intermédiaire mag de combinatie in zeven à acht stappen een meter voorwaarts gaan. Bij de zwaardere wedstrijden wordt deze norm steeds strenger.
Tijdens het rijden van een wending is het paard gesteld; het kijkt in de richting waarheen het gaat en is gebogen volgens het verloop van de boog die het maakt. Een voorbeeld hiervan is het rijden van een volte. Om een correcte volte te kunnen rijden moet het paard gesteld zijn: het kijkt in de richting waarheen het gaat en het krijgt in de lengte een buiging die overeenkomt met de gebogen lijn van de volte waarop het zich voortbeweegt. De achterhand moet op de volte de hoefslag van de voorhand volgen. Ook de ruiter kijkt altijd in de richting waarheen hij gaat en door de binnenzijde van zijn lichaam langer te maken, brengt hij zijn gewicht over op de binnenzitbeenknobbel. Met de binnenkuit drijft hij om het tempo te onderhouden en te voorkomen dat het paard naar binnen valt. De achterhand mag niet naar buiten zwaaien. Daarom ligt de buitenkuit iets naar achteren, wardoor het paard op de volte gebogen blijft. De ruiter houdt de handen iets naar voren en naar binnen, maar de buitenhand mag nooit over de manenkam komen. Rijd nooit meer dan twee tot drie maal achtereen dezelfde volte; wissel deze oefening bijvoorbeeld af door recht voorwaarts te rijden en daarna dezelfde oefening op da andere hand te herhalen.
Rechts voorwaarts gaan
Van nature heeft ieder paard de neiging een beetje scheef te lopen, omdat het een hollere en een bollere zijde heeft. Om recht voorwaarts te gaan moeten ten eerste de teugels gelijk gespannen zijn. Bovendien moet de impuls (de voorwaartse drang) goed onderhouden worden. Meestal zal het paard aan zijn bolle zijde de ruiter meer gewicht in de teugels geven. Daarom moet de ruiter aan deze kant meer aandrijven, zodat het paard geleidelijk rechter gaat lopen. Iedere dressuurruiter heeft er baat bij veel oefeningen op de middellijnen van de rijbaan te doen. Zijn rijdier moet het dan zonder de steun van de rand van de rijbaan doen.
Halthouden
Bij een correcte hele ophouding staat het paard vierkant stil. Het gewicht rust op alle vier de benen. De ruiter wekt met zijn zit en benen in, waardoor het gewicht van zijn rijdier naar de achterhand wordt verplaatst. Het paard wordt hierbij tegen een steeds meer opvangende teugel gedreven, waarbij de handen soepel blijven. Het paard moet onmiddellijk reageren, maar mag nooit abrupt gestopt worden. In stilstand kauwt het paard zachtjes op het bit en is bereid onmiddellijk voor- of achterwaarts te gaan.

Achterwaarts gaan
Bij het achterwaarts gaan begint de ruiter voorwaarts te drijven. Op het moment dat de achtervoet van het paard loskomt om een pas voorruit te zetten, brengt de ruiter het door ophoudende teugelhulpen achterwaarts. Bij het achterwaarts gaan worden de benen in diagonale paren verplaatst; linksvoor en rechtsachter samen en rechtsvoor en linksachter samen. De voeten moeten goed zichtbaar worden opgetild en de achterbenen blijven op één lijn met de voorbenen.
Wending om de achterhand
De wending om de achterhand is een kwart cirkel op twee hoefslagen, waarbij de lengte van het paard bepaalt hoe groot de cirkel mag worden. Het buitenachterbeen stapt om het stappende binnenachterbeen heen tot de wending is voltooid.
Keertwending om de achterhand.
Bij de keertwending om de achterhand maakt het paard vanuit het halthouden een halve cirkel naar links of naar rechts om de achterhand, waarbij het binnenachterbeen als spil dient. Dit been dient dus nagenoeg steeds op dezelfde plaats te worden neergezet tot de keerwending is voltooid.
Wending om de voorhand
De wending om de voorhand is een kwart cirkel op twee hoefslagen, waarbij de lengte van het paard bepaalt hoe groot de cirkel mag worden. Het buitenvoorbeen stapt om het stappende binnenvoorbeen heen tot de wending is voltooid. De eenzijdige kuithulp zorgt ervoor dat de achterhand om de voorhand wendt.
Keertwending om de voorhand
Bij de keertwending om de voorhand beweegt het paard vanuit het halthouden een halve cirkel naar links of naar rechts om de voorhand, waarbij het binnenvoorbeen als spil dient en derhalve zo veel mogelijk op de plaats blijft. Vervolgens kruist het binnenachterbeen voor het buitenachterbeen langs, in zo vele passen als nodig zijn om een draai van 180° te maken. De keertwending om de voorhand kan ook goed van pas komen tijdens een buitenrit, bijvoorbeeld wanneer er een hek geopend moet worden.
Figuren
Naast de figuren, zoals van hand veranderen, halthouden, voltes en slangenvoltes, zijn er nog meer figuren, die niet meteen met de hogere dressuur te maken hebben.
De acht: deze figuur bestaat uit twee voltes van gelijke omvang. De voltes raken elkaar in het hart van de rijbaan (X). Zodra de ruiter na de eerste halve volte bij X komt, gaat hij over op de grote volte naar de andere zijde. Hij rijdt deze eenmaal rond en komt dan weer op de oorspronkelijke grote volte, die hij verder afmaakt.
Halve volte links, gevolgd door halve volte rechts: hierbij wordt halverwege de korte zijde van de rijbaan begonnen met een halve grote volte. In het midden van de rijbaan worden enkele passen recht voorwaarts gereden, waarna een halve grote volte op de andere hand wordt voltooid. Er wordt als het ware een S gemaakt.
Door een S van hand veranderen: bij deze oefening wordt begonnen met een halve volte ter grootte van een halve rijbaan, daarna volgen enkele passen voorwaarts, waarna een tweede halve volte volgt op de andere hand.
Natuurlijk zijn er nog veel meer figuren te bedenken, die alle in stap, draf of galop kunnen worden uitgevoerd.
Zijgangen:
Bij de uitvoering van de zijgangen beweegt het paard zich met de voorhand en de achterhand op verschillende hoefslagen in een voorwaarts-zijwaartse beweging. Zijgangen hebben als doel het lichaam van het paard soepel en buigzaam te maken.
Wijken voor de kuit
Het wijken voor het been is een oefening waarbij het paard zich voorwaarts-zijwaarts beweegt. het paard wijkt zijwaarts voor de druk van het been en kijkt hierbij iets tegengesteld aan de richting waarheen het gaat. Het wijken voor het been vormt de basis voor al het werk op twee hoefslagen. Het paard dient zo veel mogelijk parallel aan de zijden van de rijbaan te blijven. De buiging van zijn lichaam moet uiterst licht zijn. daarbij mag de hals niet te veel gebogen zijn, het hoofd niet kantelen en dient het paard regelmatig te gaan. De benen kruisen voorlangs en zijwaarts. De ruiter drijft het paard met de zit voorwaarts en met zijn kuit zijwaarts. De teugels zorgen voor de juiste stelling. Het buitenbeen ondersteunt en belet dat het paard naar de verkeerde kant wegloopt.
Schouder-voor
De schouder-voor is één van de eerste zijgangen die geleerd worden. Hierbij wordt de voorhand licht naar binnen gebracht, zodat het binnenachterbeen en het buitenvoorbeen op één lijn zijn. Deze oefening vraagt minder buiging en verzameling dan de schouder-binnenwaarts.
Schouder Binnenwaarts
Bij de schouder-binnenwaarts beweegt het paard zich op twee hoefslagen met drie sporen en een stelling die tegengesteld is aan de bewegingsrichting. De achterhand blijft op de hoefslag en de voorhand wordt licht naar binnen gebracht, waardoor het paard licht gebogen is om het binnenbeen van de ruiter. Het buitenvoorbeen en het binnenachterbeen zijn hierbij op één lijn. Het voorbeen aan de binnenzijde van het paard kruist dat aan de buitenzijde.

Dressuuroefeningen voor gevorderden:
Travers
De travers is een zijgang op twee hoefslagen met vier sporen, waarbij het paard kijkt in de richting waarheen het gaat. Elk been heeft een eigen spoor. Bij de travers blijft de voorhand op de hoefslag en wordt de achterhand naar binnen gebracht. Hierbij is het paard gebogen om het binnenbeen van de ruiter. Het dier kruist met zijn buitenbenen voor die aan de binnenzijde langs. De hoek van de beweging bij een travers is groter dan bij de schouder-binnenwaarts.
Renvers
De renvers is een zijgang waarbij de voorhand naar binnen wordt gebracht en de achterhand op de hoefslag blijft. Het paard is gebogen om het buitenbeen van de ruiter. Evenals de travers wordt deze oefening op twee hoefslagen met vier sporen uitgevoerd.
Appuyement
Bij het appuyeren verplaatst het paard zich in een voorwaarts-zijwaartse richting op twee hoefslagen. Daarbij is het paard licht gebogen en gesteld in de richting van de beweging. Het zet de buitenbenen voor de binnenbenen langs. De voorhand wordt voorwaarts geleid door de teugels en de achterhand wijkt voor de eenzijdige kuitdruk. Hoewel appuyementen zowel in stap als in draf en galop kunnen worden uitgevoerd, worden ze bij wedstrijden alleen in verzamelde draf en galop gevraagd. Een appuyement wordt diagonaal over de rijbaan gereden, bijvoorbeeld van de hoefslag naar de middenlijn of andersom, of op een gebroken lijn. Wanneer deze oefening correct wordt uitgevoerd, lijkt het of het paard moeiteloos over de rijbaan glijdt. Het houdt zijn lichaam vrijwel parallel aan de zijden en tilt zijn benen goed op. Hoe scherper de hoek is van de diagonaal, hoe hoger de moeilijkheidsgraad.

Schakel
De schakel is een oefening in het achterwaarts gaan voor gevorderden. Het paard gaat een vooraf vastgesteld aantal passen achterwaarts, alvorens verder te gaan. De wisseling van achterwaarts naar voorwaarts en andersom moet vloeiend verlopen, zonder hapering.
Pirouette
Bij een pirouette maakt het paard een draai van 360 graden. De voorhand beschrijft een cirkel en de achterhand blijft zo veel mogelijk op één plaats. Deze oefening vraagt een maximale coördinatie, zowel van het paard als van de ruiter. Omdat ene paard van nature geneigd is om zijn middenhand te draaien, moet het sterk verzameld worden om de spil bij de achterhand te leggen. Dragen de achterbenen eenmaal goed, dan dient de voorhand de draai in een vloeiende beweging uit te voeren. De score voor deze lastige beweging wordt op wedstrijden vaak verdubbeld. Bij de Prix St. Georges wordt een halve pirouette (180°)) gevraagd, maar vanaf de Intermédiaire moeten hele pirouetten worden uitgevoerd. Het aantal toegestane passen van een halve pirouette bedraagt drie tot vier en van een hele zes tot acht.
Contragalop
De contragalop is een galop rond de rijbaan of op de volte, waarbij het buitenvoorbeen voorgrijpt. Deze oefening vergt veel lenigheid van een paard.
Changement
Wanneer het paard op de hulpen van de ruiter tijdens het zweefmoment omspringt van de ene galop in de andere, spreken we van een changement. Tijdens deze oefening, die ook wel vliegende galopwisseling wordt genoemd, moet het paard lichtvoetig blijven en de impuls goed bewaren. Het omspringen dient altijd met voor- en achterbenen op hetzelfde moment te gebeuren. Het is dus verkeerd wanneer de voorbenen na de achterbenen wisselen of omgekeerd. Een voorbereiding op deze oefening is de eenvoudige galopwisseling. Hierbij mag het paard vanuit de ene galop in stap overgaan en een aantal passen doen, ten hoogste vier, om vervolgens in de andere galop aan te springen. Tijdens de wisseling mag er niet gedraafd worden en de overgang moet vloeiend zijn.
Hogere Dressuur:
Zig-zag appuyementen
Zigzag-appuyementen zijn een serie appuyementen gereden aan beide zijden van de middellijn in een vast patroon van zo veel passen naar links, zo veel passen naar rechts enzovoort. Vaak worden zigzag-appuyementen over de middellijn gereden. De ruiter kan dan bijvoorbeeld vier passen appuyement naar links rijden, een changement uitvoeren, acht passen appuyement naar rechts geven, weer changeren en ten slotte vier passen naar links appuyeren om weer op de middellijn uit te komen. De passen dienen steeds even ver van de middellijn te komen. In de Grand Prix is het vereiste aantal passen drie en ze.
Changement in serie
Changementen in serie zijn galopwisselingen die in vaste series worden uitgevoerd. Dit kan zijn om de vier, drie en twee passen en zelfs om de pas. Om een goed changement uit te voeren, dient het paard te beschikken over een grote sprongkracht. Hierdoor wordt de zweeffase tijdens de galop langer en heeft het paard meer tijd om zijn benen 'om te zetten'. Bij de Prix St. Georges worden changementen om de drie passen gevraagd; bij de Grand Prix is een serie van vijftien changementen om de pas de vereiste.
Passage
De passage is een sterk verzamelde draf, waarbij de voorhand hoog wordt opgeheven en de achterhand extra wordt ondergebracht. De passage heeft een uitgesproken zweefmoment. Hierdoor lijkt alsof het paard in slowmotion gaat.
De oefening ziet er heel spannend uit door de grote impuls vanuit de achterhand en de ingehouden kracht die het paard uitstraalt.
Piaffe
De piaffe is de verzamelde draf op de plaats. Bij deze oefening worden de benen diagonaalsgewijs opgetild en neergezet in een verende draf, waarbij het paard op één plaats blijft. De piaffe is één van de zwaarste en moeilijkste dressuuroefeningen. Het paard moet zijn vier benen even hoog optillen om als het ware van de ene stap in de andere te springen. Daarbij wordt de achterhand omlaag gebracht tot een houding die op zitten lijkt. Bij de Intermédiaire mag de combinatie in zeven à acht stappen een meter voorwaarts gaan. Bij de zwaardere wedstrijden wordt deze norm steeds strenger.
Dressuurproeven uitleg
De cijfers die je op je protocol vindt hebben de volgende betekenis:
10 = uitmuntend
9 = zeer goed
8 = goed
7 = tamelijk goed
6 = bevredigend
5 = voldoende
4 = onvoldoende
3 = tamelijk slecht
2 = slecht
1 = zeer slecht
Wanneer een 0 wordt gegeven dan is er van de gevraagde beweging praktisch niets uitgevoerd.
Kleding voorschriften wedstrijden
Wie wedstrijden gaat rijden moet er voor zorgen dat hijzelf en ook het paard er netjes verzorgd moeten uitzien. Dit wordt beoordeeld onder de noemer "Verzorging". Het paard moet keurig gepoetst zijn en de ruiter moet de voorgeschreven kleding dragen. Amazones en ruiters dragen in de dressurring:
[listeen bijpassende witte of gele stropdas of plastron[/list]
[list]een cap, hoge hoed of bolhoed[list]
In de klassen B en L is het gebruik van sporen en een zweep toegestaan. In de klassen M en Z zijn sporen verplicht en is een zweep verboden.
Plastron
een zwart of donkerblauw rij-jasje
een witte, beige of gele rijbroek
[listeen bijpassende witte of gele stropdas of plastron[/list]
een paar handschoenen
een paar rijlaarzen
[list]een cap, hoge hoed of bolhoed[list]
In de klassen B en L is het gebruik van sporen en een zweep toegestaan. In de klassen M en Z zijn sporen verplicht en is een zweep verboden.